[Algemeen] Opiniestuk: Octrooien, lust of last?
Arend Lammertink
lamare op gmail.com
Di Mrt 30 12:01:52 CEST 2010
Hoi allen,
Ik heb de afgelopen dagen het volgende opiniestuk geschreven. Ter
beoordeling, discussie, etc.
--::--
Octrooien, lust of last?
Met de opkomst van de internationale Piratenpartijen komt het
octrooisysteem onder vuur te staan. Nederland heeft een interessante
geschiedenis ten aanzien van octrooien, aangezien Thorbecke in ons
land in 1869 het octrooisysteem afschafte. Harde conclusies over het
al dan niet nuttig zijn van octrooien in zijn algemeenheid zijn niet
te trekken, maar dat de huidige invulling van het systeem uit de hand
gelopen is, is iets waar vriend en vijand het toch wel over eens zijn.
Het klinkt zo logisch. Als iemand een uitvinding doet, dan moet het
niet zo maar mogelijk zijn dat anderen daarmee aan de haal gaan.
Anders gaat iedereen namaken en wordt er niets meer uitgevonden. Aan
de andere kant is de schijn vaak bedrieglijk en dat is ook hier het
geval. De kern van de problemen met het octrooisysteem liggen in het
feit dat innovatie voor het overgrote deel plaats vindt in kleine
stappen. Dat levert een fundamenteel dilemma op ten aanzien van hoe
hoog de "drempel", de zogenaamde "uitvindershoogte", zou moeten zijn.
Als men het te moeilijk maakt om een octrooi te verkrijgen, dan heeft
het instrument weinig zin, omdat er dan toch geen gebruik van gemaakt
wordt. Als men het te gemakkelijk maakt, dan raakt het systeem
overspoeld met octrooien die min of meer voor de hand liggen en
waarvan men zich af kan vragen of de lasten van 20 jaar durende
monopolies niet de lusten van publicatie en dus beschikbaarheid van
kennis overstijgen. Historisch gezien heeft zich eind 1800 in
Duitsland een belangrijke wending voorgedaan, toen besloten werd dat
het voortaan octrooieerbaar zou zijn als er bij de productie van
kleurstoffen een bekende productie methode gebruikt werd om een nieuwe
kleurstof te maken. Daarmee is in feite de drempel om een octrooi te
kunnen verkrijgen praktisch nul gemaakt.
Dit ogenschijnlijk praktische probleem is dus in werkelijkheid een
bewuste en fundamentele keuze geweest die voortvloeit uit het feit dat
innovatie in de praktijk grotendeels in kleine stappen plaats vindt.
Wil men kleine stappen kunnen "beschermen" dan komt men er
eenvoudigweg niet om heen om de drempel laag te leggen. Voor
Nederlandse octrooien is er dan ook helemaal geen drempel meer. Iedere
aanvraag wordt toegekend en voorzien van een rapport met daarin de
resultaten van het nieuwheidsonderzoek. De feitelijke toetsing wordt
dus overgelaten aan de rechter, maar dat gebeurt pas als er geschillen
optreden.
De keerzijde van de medaille is dan ook dat als we het probleem van de
stortvloed aan "triviale octrooien" daadwerkelijk willen indammen, dit
in feite neerkomt op het praktisch afschaffen van het octrooisysteem.
Echt geniale uitvindingen zijn immers zeldzaam en het is dan ook maar
zeer de vraag of het uberhaupt vanuit maatschappelijk belang dan nog
zin heeft een octrooisysteem in stand te houden, ware het niet dat
internationale verdragen ons daartoe verplichten. Men kan zich dan ook
afvragen of Thorbecke achteraf gezien niet een heel verstandige zet
gedaan heeft door in 1869 in ons land het octrooisysteem af te
schaffen. In ieder geval bieden de octrooiloze perioden in zowel
Nederland als Zwitserland, die elkaar grotendeels overlapten,
interessante inzichten in de vraag of octrooien uberhaupt zin hebben.
Eric Schiff analyseerde in zijn boek "Industrialization without
National Patents" deze octrooiloze periode in beide landen, een
periode waarin onder andere huidige multinationals als Philips,
Unilever en Nestle konden ontstaan. Hij concludeert dat het ontbreken
van octrooien een belangrijk element is geweest voor het ontstaan van
deze bedrijven, juist omdat men zich niet druk hoefde te maken met
allerlei juridische rompslomp maar gewoon aan de slag kon gaan. Ook
merkt hij op dat deze bedrijven wel degelijk innoveerden door,
inderdaad, in kleine stappen hun producten te verbeteren. Zijn
eindconclusie is dan ook dat het ontbreken van octrooien in deze
landen gedurende deze periode eerder een positief dan een negatief
effect gehad heeft op innovatie.
Nu kan men opvoeren dat in deze periode Nederland en Zwitserland een
technologische achterstand hadden en dat alleen in zo'n situatie het
ontbreken van een octrooisysteem opportuun is. Daar kan men echter
tegen in brengen dat er destijds er nog wel een redelijke drempel
bestond in het octrooisysteem, zodat zelfs wanneer het octrooisysteem
redelijk werkt, er al vraagtekens gezet kunnen worden bij de
effectiviteit van het systeem, aangezien aan het eind van de
octrooiloze periode de bewuste bedrijven wel degelijk innoveerden en
floreerden. Daarnaast kan men zich afvragen wat voor nut het nog heeft
om aan ontwikkelingshulp te doen als derde wereldlanden, die dus ook
heden ten dage nog een technologische achterstand hebben, zowieso
niets met moderne kennis kunnen beginnen, omdat dit door octrooien
onmogelijk gemaakt wordt. Hetzelfde geldt uiteraard op micro niveau,
nieuwe bedrijven en MKB bedrijven hebben ook een zekere achterstand en
het is evenzo duidelijk dat het inlopen van die achterstand op precies
dezelfde manier afgeremd wordt.
En zo ligt het octrooisysteem aan alle kanten onder vuur. Het
fundamentele dilemma maakt dat het probleem "triviale octrooien" niet
op te lossen is binnen het huidige systeem, het octrooisysteem werkt
remmend op de ontwikkeling van onder meer het MKB en derde
wereldlanden en de octrooiloze periode in ons land laat zien dat ook
zonder octrooien er wel degelijk geinnoveerd wordt. Alle reden dus om
Thorbecke's oplossing nog eens goed te bestuderen. Goede ideeën
verdienen het immers om gekopieerd te worden.
--::--
Moet nog wel even goed nakijken of het idd Thorbecke was die de
octrooiwet afschafte. Hij was iig toen geen MP:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Johan_Rudolph_Thorbecke
Het tweede kabinet-Thorbecke duurde van 31 januari 1862 tot en met 10
februari 1866.
Het derde kabinet-Thorbecke duurde van 4 januari 1871 tot en met 6
juni 1872, de dag waarop Thorbecke overleed.
Dus *niet* in 1869, terwijl dat het jaar is dat de octrooiwet werd afgeschaft:
http://www.dbnl.org/tekst/lint011gesc06_01/lint011gesc06_01_0010.php
"De adviseurs voor scheikunde en werktuigkunde bij Binnenlandse Zaken
hadden als voornaamste taak de beoordeling van ingediende octrooien.
Zij stonden in de jaren vijftig jaarlijks voor ƒ 4000 op de begroting
van het Ministerie, waarbij ook het salaris van een adjunct-adviseur
was inbegrepen. Deze adjunct kwam te vervallen met de benoeming van
W.L. Overduijn138., en sinds 1859 stond alleen de adviseur zelf nog
maar voor een jaarwedde van ƒ 3000 genoteerd.
De Tweede Kamer hechtte weinig waarde aan dit octrooiwerk en vond dat
deze taak ook kon worden ondergebracht bij degene die bij het
Ministerie van Financiën in dienst was als Adviseur voor Scheikundige
Zaken.139. Tot genoegen van de Kamer werd de functie in 1869 geheel
overbodig als gevolg van de afschaffing van de octrooiwet in
Nederland."
http://www.dickvanengelen.nl/index.php?pageId=3196
"Octrooien in de huidige betekenis van het woord mochten zich na de
Bataafse revolutie niet in eenzelfde hartelijke ontvangst als het
auteursrecht verheugen. De privileges op het gebied van de techniek
werden na de Bataafse revolutie evenals alle andere privileges
afgeschaft. In Frankrijk werd kort na de revolutie op 7 januari 1791
vervolgens een octrooiwet ingevoerd. In Nederland duurde het echter
tot 1810 voor octrooien weer verleend werden, en dat alleen maar omdat
na de inlijving bij Frankrijk de Franse wet van 7 januari 1791 hier te
lande toepasselijk werd verklaard. Deze Franse wet ging uit van een
recht op octrooi. De Nederlandse opvolger daarvan, de Wet van 25
januari 1817 over het verlenen van uitsluitende regten op uitvindingen
en verbeteringen van voorwerpen van kunst en vlijt, sprak echter niet
meer van een recht op octrooi, maar zag het octrooi weer als een gunst
van de soeverein. Deze wet gaf ook blijk van een terughoudende
opstelling tegenover octrooien. Deze terughoudende opstelling zette
zich door en leidde er toe dat Hoge Raad bij arrest van 20 maart 1846
de bevoegdheden van de octrooihouder substantieel inperkte door te
bepalen dat deze zich alleen kon verzetten tegen het maken en verkopen
van het geoctrooieerde voortbrengsel, zodat van een inbreuk geen
sprake was wanneer een onderneming alleen maar voor eigen gebruik
produceerde.
Deze terughoudende opstelling ten opzichte van het octrooi was
illustratief voor het tegen de tweede helft van de negentiende eeuw
opkomende liberalisme, dat in Nederland de wat verlate komst van de
industriële revolutie vergezelde. Omdat Nederland op industrieel
gebied een achterstand had opgelopen, culmineerde het liberalisme er
uiteindelijk in dat de Octrooiwet van 1817 bij wet van 1869 buiten
werking werd gesteld, in de hoop daarmee de industriële ontwikkeling
meer armslag te geven, doordat vrijelijk gebruik gemaakt zou kunnen
worden van buitenlandse vindingen en technologieën. De voorstanders
van de afschaffing propageerden onder meer dat van enig recht op een
octrooi geen sprake kon zijn en waren van oordeel dat enkel het
algemeen belang als grondslag voor het verlenen van een octrooi kon
dienen.
Freseman Viëtor verkondigde dit standpunt ook voor het
auteursrechtelijk domein. Dit leidde er vervolgens toe dat de
Nederlandse Juristen-Vereniging in 1877, conform de preadviezen van
Freseman Viëtor en De Ridder, oordeelde dat alleen het algemeen belang
als grondslag voor het auteursrecht gezien kon worden. Deze stroming
verloor echter al weer spoedig terrein.
Het standpunt van Freseman Viëtor was terug te voeren tot de stelling
dat alle recht slechts op utiliteit zou berusten. Op zich erkende hij
dat de billijkheid in beginsel tot erkenning van een recht op octrooi
of auteursrecht aanleiding zou kunnen geven, maar hij huldigde de
strikte opvatting dat de billijkheid in het geheel geen rechtsgrond
kon zijn. Heemskerk daarentegen erkende wèl een recht op octrooi,
waarbij hij de billijkheid juist als de rechtsgrond zag. Op het
gebied van het auteursrecht huldigden schrijvers als Van de Velden, De
Savornin Lohman en Viotta evenzeer het standpunt dat van een recht
sprake was, waarbij de grondslag veelal gevonden werd in de
billijkheid, de ongerechtvaardigde verrijking of een recht op de
vruchten van eigen arbeid.
De kentering in de opvattingen over de rechtsgrond van het
auteursrecht wordt wellicht nog het treffendst geïllustreerd door de
omstandigheid dat het door Minister Modderman bij de Mondelinge
Behandeling van de Auteurswet van 1881 in de Tweede Kamer ingenomen
principiële standpunt over de grondslag van het auteursrecht
nauwelijks aanleiding tot discussie gaf, alhoewel het haaks stond op
hetgeen de Nederlandse Juristen-Vereniging drie jaar daarvoor nog had
aangenomen. Modderman stelde onomwonden dat niet slechts de utiliteit
grondslag voor het auteursrecht vormde, maar dat er sprake was van een
op de eisen van rechtvaardigheid gebaseerd recht.
Ook op het gebied van het octrooirecht tekende zich na 1869 al spoedig
een kentering af. De industriële ontwikkeling verliep minder snel dan
de afschaffers van de octrooiwet gedacht hadden, hetgeen door sommigen
juist aan het ontbreken van octrooibescherming werd geweten. Tevens
trad Nederland in 1883 toe tot het Unieverdrag van Parijs, waarna ons
land door de overige verdragstaten onder druk werd gezet om een
octrooibescherming in te voeren.
Tegen deze achtergrond kwam uiteindelijk de Octrooiwet van 1910 tot
stand. De octrooiwetgever van 1910 beperkte zich bij de verdediging
van de herintroductie van het octrooi echter niet tot een verwijzing
naar verdragsverplichtingen of het algemeen belang. In de stukken werd
er herhaaldelijk op gewezen dat de Octrooiwet ten doel had het recht
van den uitvinder te erkennen en in de Memorie van Antwoord overwoog
de regering dat ook naar haar meening uit een oogpunt van
rechtvaardigheid en van algemeen belang, aan hem die iets nieuws heeft
uitgevonden een zekere bescherming niet mag worden onthouden. Dat het
octrooi niet alleen maar op grond van het algemeen belang, maar tevens
op grond van rechtvaardigheidsoverwegingen dient te worden erkend,
wordt sindsdien niet meer fundamenteel betwist. "
Gr.
-- Arend --
More information about the Algemeen
mailing list